
Op 15 juni 1812 zit Hester samen met dominee Willem Broes in de wachtruimte van het Nieuwe Werk- en Spinhuis, de vrouwengevangenis in Amsterdam, in afwachting van haar terechtstelling die dag. Hij heeft haar enige maanden geestelijke bijstand verleend en in deze uren, die zij zo goed als zwijgend doorbrengen, denkt Willem Broes terug aan de gesprekken die hij met haar had over haar leven, haar misdaden en haar bekering in de gevangenis. Tot op het allerlaatste moment probeert hij antwoord te krijgen op vragen die hem al maanden bezighouden: wat bezielde deze vrouw, spreekt ze de waarheid, is de liefde voor haar minnaar oprecht en hoe welgemeend is haar berouw?